De frequentie van de injecties is afhankelijk van het preparaat en ligt doorgaans tussen ongeveer 1 en 12 weken. Aan het begin van de therapie en bij dosisaanpassingen vinden regelmatig bloedcontroles plaats, later met grotere tussenpozen.

Bij gel en orale therapie zijn geen injecties nodig. Wel staan regelmatige controles centraal om de dosering optimaal af te stemmen. Over het algemeen geldt: afhankelijk van de therapievorm verschilt het verloop van de behandeling, maar niet de noodzaak van regelmatige controles.